zaterdag 30 mei 2026

Nostradamus.

 

De afbeelding toont een oud, broos boek, geopend alsof het net uit een lange slaap is gewekt. De pagina's zijn vergeeld tot een diep bruin dat de tijd zelf lijkt te hebben gekneed, bedekt met vreemde vlekken die als handschrift van vocht en vergetelheid over het perkament dansen. De randen zijn rafelig, gekarteld als oude wonden die langzaam zijn dichtgegroeid, en het papier heeft een bijna doorschijnende kwetsbaarheid gekregen -  die tere breekbare pracht die alleen eeuwen kunnen veroorzaken, alsof elke omslag een zucht van het verleden zou kunnen doen versplinteren. Boven dit alles staat, in letters die nog steeds hun gezag uitspreken: “PRAEFATIO GALENI MICHAELIS EPHESII IN LIBROS DE NATURA HUMANA” - een Latijnse voorrede van Galenus, als een stem die door de stilte van de bibliotheken heen nog fluistert wat de mens ooit over zijn eigen natuur meende te weten.


Er leefde eens een man, geboren onder de Provençaalse zon in de winter van 1503, die Michel heette en afstamde van joodse voorouders die zich hadden bekeerd om te overleven in een wereld die hen niet begreep. Later werd hij iemand anders: Nostradamus, alsof de letters van zijn naam zich herschikten als planeten aan een nieuwe hemel. Zijn jeugd was doordrenkt van Latijn, Grieks en Hebreeuws en de fluisteringen van de sterren, doorgegeven door grootvaders die de oude wijsheid nog in zich droegen. Maar de wereld waarin hij opgroeide was geen oase van rust. De pest dwaalde door de steden en dorpen, de godsdienstoorlogen laaiden op als vurige koortsen, en overal zag hij hoe de mens een wolf was voor zijn naaste. Dat inzicht zou hem nooit meer verlaten.

Hij studeerde geneeskunde in Montpellier, maar beperkte zich niet tot de theorie alleen. Met evenveel toewijding verdiepte hij zich in de geneeskunst van apothekers, als in praktische middelen om zieken te helpen. Hij leerde dat hygiëne en schoon drinkwater vaak meer vermochten dan gebeden, en zijn beroemde roze pillen, rijk aan de stille kracht van vitamine C, levens redden waar anderen slechts de dood voorspelden.

Maar het lot had een wrede les voor hem in petto. Zijn eerste vrouw en twee kinderen, jong, actief en vol belofte, werden zelf door de zwarte dood weggerukt. Hij kon hen niet redden. In de leegte die achterbleef zwierf hij jarenlang door Italië en Frankrijk, als een schim van de arts die hij ooit was geweest. Die zwervende jaren werden de smidse van zijn ziel. Toen hij terugkeerde, was hij een ander geworden: een man die had geleerd dat de duisternis niet enkel in de sterren schuilt, maar ook in de verborgen hoeken van het menselijk hart.

Hij vestigde zich in Salon-de-Provence, hertrouwde met een rijke weduwe, kreeg zes kinderen en begon te schrijven aan het werk dat hem onsterfelijk zou maken. Eerst verschenen zijn almanakken, waarmee hij naam maakte aan het hof van Catharina de' Medici, de machtige koningin die de horoscopen van haar zonen wilde kennen.

En toen, in 1555, verscheen zijn grote werk: Les Prophéties - negenhonderdtweeënveertig kwatrijnen, raadselachtige verzen in een taal die nergens werkelijk thuishoorde. Een stamppot van Frans, Latijn, van Grieks en zelf verzonnen woorden, alsof hij sprak vanuit een droom die alle grenzen van het gewone had losgelaten.

De dood van koning Hendrik II tijdens een steekspel, die hij ogenschijnlijk had voorzien, bevestigde wat velen al fluisterden: deze man zag wat anderen niet zagen.

Maar wat zag hij werkelijk? Nostradamus geloofde oprecht in astrologie, niet als bijgeloof, maar als de grammatica van het lot - de stille regels waarmee de hemel sprak. De stand van Saturnus, de baan van Mars, de verschijning van een komeet boven een slapende stad - voor hem waren het geen op zichzelf staande verschijnselen, maar zuchten van een goddelijke adem. Hij putte uit oude bronnen, zoals het Liber Prodigiorum van Julius Obsequens, waarin misvormde dieren en regens van stenen de bladzijden vullen. Hij las de bijbel als een seismograaf van het kwaad en Vergilius als een stille spiegel van de vergankelijkheid.

Toch was niets zo kenmerkend voor hem als de duisternis van zijn stijl. Hij schreef met opzet raadselachtig, zei hij zelf, om vervolging door de Inquisitie te ontlopen. Maar was dat werkelijk de enige reden? Vaagheid is immers het geheim van tijdloosheid. Een cryptisch vers kan eeuwen later nog op alles worden toegepast: op de Franse Revolutie, op oorlogen, op de brandende torens van een septemberochtend. Wie een raadsel schept zonder definitieve oplossing, nodigt iedere generatie uit om het opnieuw te voltooien.

Daarom leeft hij nog voort. Men beweert dat hij Hitler heeft voorzien, of de atoombom, of zelfs de aanslag op de Twin Towers. Maar wie zijn kwatrijnen opnieuw leest, ziet dat ze geen toekomst onthullen, maar slechts de schaduw van ons eigen verleden. Hij schrijft over een grote vorst uit het oosten, over een koning van angst, over een stad die in vlammen opgaat. Dat zijn archetypen, en geen nauwkeurige voorspellingen.

Als hij werkelijk de toekomst kende, waarom verhulde hij dan alle namen en jaartallen in mist? De wetenschap is hierin helder: er is geen enkele gebeurtenis die hij ondubbelzinnig en vooraf heeft voorspeld. Zijn "Hister " verwijst niet naar Hitler, maar naar een oude naam voor de Donau. Zijn "half varken, half mens " is geen visioen van een soldaat met een gasmasker, maar een echo van de wonderverhalen uit de oudheid.

De waarheid is paradoxaal: Nostradamus dankte zijn reputatie niet aan zijn voorspellingen, maar aan hun vaagheid. Zijn verzen grepen nooit precies raak - en konden daardoor steeds opnieuw passend worden gemaakt. Het is juist die mistigheid die hem door de eeuwen heeft gedragen, als een sluier waar elke tijd zijn eigen waarheid in kon lezen.

Toch schuilt er een diepere wijsheid in zijn werk, die weinig met voorspellen te maken heeft. Nostradamus was bovenal een pessimist. Hij zag de mens zoals hij was: een wezen dat eenmaal van de boom der kennis had gegeten en sindsdien vooral verfijndere manieren vond om zichzelf en anderen te schaden. 

Zijn kwatrijnen vormen geen blauwdruk voor de toekomst, maar eerder een requiem voor de hoop. "De mens is de mens een wolf " (homo homini lupus) schreef hij misschien nooit letterlijk, maar die gedachte weerklinkt in bijna elke regel: verraad, incest, kindermoord, steden die branden terwijl de hemel zwijgt. Het wonder is niet dat sommige beelden later profetisch leken, maar dat ze zo tijdloos menselijk zijn.

Wat is de pest van de zestiende eeuw anders dan het virus van gisteren? Wat is een godsdienstoorlog anders dan de terreur die vandaag nog altijd steden verlamt? Nostradamus schreef uiteindelijk niet over de toekomst, maar over het eeuwig terugkerende kwaad - het kwaad dat telkens van gedaante wisselt om zichzelf opnieuw te rechtvaardigen.

En toch - en daarin schuilt zijn laatste, bijna onvermijdelijke paradox - lag in zijn duisternis ook een merkwaardige tederheid. Dezelfde man die de ondergang van koningen bezong, trok van stad tot stad om pestlijders te verzorgen. Hij kende het lijden niet alleen uit boeken of sterrenbeelden, maar uit zijn eigen leven: hij had zijn vrouw en kinderen verloren aan de ziekte die hij zo hartstochtelijk probeerde te bestrijden.

In zijn beroemde roze pillen, in zijn pleidooi voor schoon drinkwater, frisse lucht en hygiëne, leefde een mededogen dat iedere sterrenlogica leek te overstijgen. Misschien was hij uiteindelijk niet in de eerste plaats een ziener, maar een arts die de diagnose van de eeuwigheid had leren stellen. Hij zag niet alleen de wond, maar probeerde haar ook te verbinden. Hij beschreef niet alleen de koorts, maar reikte tegelijk het geneesmiddel aan.

Toen hij in 1566 stierf, geteisterd door jicht en oedemen, alleen in zijn huis in Salon-de-Provence, nam hij zijn sterren mee de nacht in. Hij had de mensheid geen kristallen bol nagelaten, maar een spiegel. En in die spiegel herkennen wij nog altijd onszelf: bevreesd en meedogenloos, maar soms ook onverwacht zachtmoedig - zoals alleen sterfelijke wezens dat kunnen zijn, wetend dat alles eindig is. En zo laat hij ons achter met de stille wetenschap dat het licht en de duisternis in ons altijd samen reizen.


J.J.v.Verre.

Portret van Michel de Nostredame. 




Geen opmerkingen:

Een reactie posten