dinsdag 5 mei 2026

Eenzame bomen.

 

De twee stammen staan als achterblijvers in een boslandschap dat verder leeft, hun vormen gestript tot pure aanwezigheid. Ze dragen een stille eenzaamheid die niet om aandacht vraagt, maar als een zachte echo in het bos blijft hangen. En juist doordat ze gestorven zijn, vallen ze des te meer op: twee statige lichamen die zich niet verbergen, maar met hun dode hout een onverwachte intensiteit aan het landschap geven. Zo blijven ze in het oog springen, waardoor de camera hun stilte niet kan negeren.

Ze stonden daar al langer dat ik mij kon herinneren: twee bomen zonder kroon, zonder ritselende bladeren, zonder de schaduw om te kunnen schuilen tegen het verzengende zonlicht. De rest van het bos was jonger geworden, beweeglijker, vol licht en wuivende takken. Maar zij bleven staan, als wachters die hun wake niet hadden opgegeven, ook al was hun taak allang voorbij.

Toch was er iets in hun houding dat zich niet liet wegdenken: een stille nadruk, een aanwezigheid die zich niet verschool tussen het groen maar juist oplichtte door haar kaalheid. Alsof hun dode stammen een andere vorm van leven vertegenwoordigden, een bestaan dat niet meer gericht was op groei maar op getuigen. In hun onbeweeglijke silhouetten school een soort wijsheid die alleen ontstaat wanneer alles wat overbodig is al van je is afgevallen.

In de lente, wanneer het bos zich vulde met het nerveuze groen van nieuwe bladeren, leken ze nog stiller. De wind die door de jonge kruinen blies, sloeg hen over. Alsof zelfs de lucht wist dat er niets meer te halen viel uit hun houten karkas. Toch stonden ze daar, onverzettelijk, als twee lijnen die iemand ooit in het landschap had getrokken en die niemand durfde uit te gummen.

Soms kwam er een wandelaar langs die even bleef kijken. Niet uit echte bewondering, maar meer uit een soort van verwonderde herkenning. Want er was iets menselijks aan hun houding: het rechtop blijven staan terwijl alles wat jou ooit definieerde allang verdwenen is. Het dragen van een vorm die niet meer functioneel is, maar wel waar - een gestalte die haar aardse nut heeft afgelegd en nu slechts haar stille, onvervreemdbare essentie uitstraalt.

In de schemering, wanneer het bos zich terugtrok in zijn eigen ademhaling en het licht niet langer werd omgezet in levensadem, kregen de twee stammen een andere rol. Ze werden silhouetten, ankers in een veranderend kleurenpalet. Ze waren geen bomen meer, maar markeringen van tijd. Restanten van een verhaal dat zich niet meer verteldew, maar nog steeds intens voelbaar blijft.

Misschien was dat wel de laatste functie van deze twee eenzame bomen: niet groeien, niet bloeien, niet sterven, maar blijven. Zodat het bos wist dat ook stilstand een vorm van bestaan was. En dat eenzaamheid soms niets anders was dan een plek waar de wereld je even met rust laat.

Aan het einde van de dag toen het licht zijn intensiteit verloor en de lucht zich vulde met een magische blauwe gloed van naderend duister, stonden ze daar nog steeds. Niet als monumenten, maar als herinneringen die zichzelf niet opdringen. Twee bomen die hun verhaal hadden losgelaten en aan het bos hadden toevertrouwd. En in hun onzichtbare aanwezigheid leek het alsof het bos zelf even verademde, alsof de tijd zich voor een moment openvouwde. 


J.J.v.Verre. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten