Ik stap uit mijn bed alsof ik uit een andere tijd word losgemaakt. De vloer voelt vreemd aan onder mijn blote voeten, alsof hij mij niet meer herkent. De deur naar de badkamer lijkt verborgen in een kale muur die ik mij niet herinner. De kamer achter mij voelt nog warm van een aanwezigheid die mij probeert te verdringen.
In de badkamer hangt een stilte die niet van mij is.
Wanneer ik in de spiegel kijk, zie ik een gezicht dat zich wel aan mij vastklampt, maar niet bij mij hoort.
De reflectie ademt een fractie later dan ik. Alsof hij eerst moet overleggen met iets wat ik niet kan zien.
Zijn ogen - mijn ogen - dragen een glans die ik nooit heb gedragen. Een glans die lijkt op het licht dat achterblijft wanneer een ster sterft: zacht, maar onheilspellend. Alsof het iets heeft gezien wat geen mens zou moeten zien.
Ik raak het koude porselein van de wastafel aan. De spiegelversie van mij doet hetzelfde, maar zijn hand trilt. Niet van angst, maar van herinnering. Alsof hij weet wat er is gebeurd en ik niet.
De nacht hangt nog in de lucht, als een geur die weigert te verdwijnen. Ik probeer te reconstrueren: de droom die ik niet meer kan aanraken, de stilte die te zwaar was, het gevoel dat iemand mijn naam fluisterde terwijl ik sliep.
De spiegel fluistert geen woorden, maar een waarheid:
Je bent teruggekeerd, maar niet helemaal.
Mijn reflectie kantelt zijn hoofd. Ik blijf rechtop staan.
En in dat kleine verschil - nauwelijks zichtbaar, maar onmiskenbaar aanwezig - voel ik het: iets heeft zich van mij losgemaakt, of iets heeft zich aan mij vastgehecht.
De spiegel is geen glas meer. Hij is een grens. Een dunne lijn tussen wie ik gisteren was en wie ik vandaag moet zijn.
En terwijl ik daar sta, in het bleke ochtendlicht, begrijp ik dat de nacht niet voorbij is. Hij heeft zich slecht verstopt in mijn gezicht.
Het licht in de badkamer is vreemd: het valt niet op mijn gelaat, maar op het zijne. Alsof de wereld zich heeft omgedraaid en heeft besloten dat hij de echte is en ik slechts de reflectie.
De stilte wordt dikker, krijgt een soort gewicht, alsof ze gevuld is met onuitgesproken herinneringen.
Ik probeer terug te denken aan de nacht. Maar mijn gedachten zijn als kamers waarvan de deuren zachtjes dichtvallen zodra ik ze wil openen.
Er is iets gebeurd - niet met mijn lichaam, maar met mijn identiteit. Alsof iemand mijn naam heeft opgetild, omgedraaid en teruggelegd in het verkeerde bakje, zonder dat ik het zelf heb bemerkt.
De spiegelversie van mij kantelt opnieuw zijn hoofd. Ik voel een koude rilling langs mijn ruggengraat glijden. Niet omdat hij anders beweegt dan ik, maar omdat hij iets weet.
Zijn blik is niet vijandig, maar medelijdend. Alsof hij ziet wat ik nog niet durf te erkennen: dat ik niet volledig uit de nacht ben teruggekeerd.
Er hangt een fluistering in de ruimte. Geen geluid, maar een gedachte die zich aan mij vastklampt:
Je bent niet alleen wakker geworden. Iets anders is met je meegekomen.
De spiegel is geen grens meer tussen mij en mijn reflectie. Hij is een doorgang geworden. Een dunne, trillende huid tussen twee werkelijkheden die elkaar hebben aangeraakt terwijl ik sliep.
En terwijl ik daar verloren sta, in het dunne ochtendlicht dat aanvoelt alsof het uit een andere wereld komt, begrijp ik dat de nacht nog lang niet voorbij is. Hij heeft zich slechts vermomd als dag. Hij leeft voort in mijn gezicht, in de ogen die mij aankijken met een herinnering die ik niet bezit.
Ik adem in. De reflectie ademt uit.
Ik adem uit en de spiegel beslaat volledig. Ik voel me verward. Ik adem diep in en durf niet meer uit te ademen. Mijn gedachten verdwijnen en een serene stilte overmant mijn innerlijke weten.
Ik voel me lucide, licht als een pluisje, zwevend in de lucht. Dan barst mijn mond open en keert mijn denken terug.
De reflectie ademt opnieuw uit en zijn beeltenis klaart langzaam weer op in de waterdamp.
De spiegel wordt weer zichtbaar, maar niet zoals glas opdroogt. Het is eerder alsof een huid zich herstelt na een wond. De reflectie verschijnt weer, maar iets in hem is verschoven. Zijn ogen lijken dieper te liggen, alsof er achter zijn irissen een gang is ontstaan die naar een plek leidt waar ik nooit ben geweest.
Ik adem opnieuw in, nu voorzichtig, alsof de lucht zelf een grens is die ik kan breken. De reflectie ademt uit, maar deze keer is het geen damp die het glas bedekt - het is een schaduw. Een dunne, grijze waas die zich uitstrekt als een hand die mij wil aanraken.
Mijn hart slaat een fractie te snel. Niet uit angst, maar uit herkenning. Alsof iets in mij weet dat dit moment zich al eens heeft voltrokken, in een nacht die ik ben vergeten of in een leven dat ik niet langer herken.
De stilte in de badkamer wordt stroperig. Ze kruipt langs de tegels omhoog, vult de hoeken en nestelt zich in mijn oren. Ik hoor niets meer van de wereld buiten deze ruimte. Geen vogels, geen wind, geen tijd. Alleen het zachte, bijna onhoorbare tikken van iets dat niet van mij komt - alsof de spiegel een hartslag heeft gekregen.
De reflectie beweegt. Heel langzaam.
Zijn hand komt omhoog, maar niet om de wastafel aan te raken. Hij legt zijn hand tegen het glas, precies ter hoogte van mijn borstkas. Alsof hij mijn hart wil voelen. Alsof hij wil controleren of ik nog wel de juiste ben.
Ik blijf staan. Mijn lichaam voelt licht, bijna doorzichtig, alsof ik elk moment in het ochtendlicht kan oplossen. Maar mijn schaduw blijft stevig aan de grond geklonken, als een dier dat weigert zich los te laten.
Dan gebeurt het.
De spiegelversie van mij glimlacht. Niet breed, niet vriendelijk – maar met een subtiele, vermoeide kromming van de lippen die zegt:
Ik heb het gezien. Ik heb het gedragen. Jij hoeft het niet te weten.
Een koude golf trekt door mijn buik. Ik voel hoe de nacht, die zich zo zorgvuldig had vermomd als dag, zich opnieuw ontvouwt. Niet om mij te verzwelgen, maar om mij eraan te herinneren dat ik niet alleen ben wakker geworden. Dat iets anders zich aan mijn contouren heeft vastgehaakt, als een tweede huid die nog niet weet hoe hij moet ademen.
De reflectie tikt met zijn vingertoppen tegen het glas. Eén keer. Twee keer. Drie keer. Het geluid is dof, alsof hij niet tegen glas tikt, maar tegen een deur.
En dan zie ik het: achter hem, in de diepte van de spiegel, beweegt iets. Geen vorm, geen gezicht - slechts een verschuiving van duisternis, een trilling van ruimte. Alsof de nacht zelf daar staat te wachten, geduldig, met de zekerheid van iets dat zijn tijd kent.
Hij fluistert. Geen geluid, maar een gedachte die rechtstreeks in mijn ribbenkast valt:
Je bent niet de enige die is teruggekeerd.
Het licht in de badkamer flikkert. Heel kort.
En wanneer het zich herstelt, staat mijn reflectie er nog steeds – maar zijn schaduw is verdwenen. Alleen de mijne blijft staan.
En ik begrijp dat de grens tussen mij en hem niet langer bestaat. Dat de doorgang open is. Dat de nacht, die zich zo stil in mijn gezicht had verstopt, nu een plek heeft gevonden om te blijven.
Niet achter het glas.
Maar in mij.
Misschien is dat wat ik al die tijd heb gevreesd: niet dat ik mezelf in de spiegel zou verliezen, maar dat ik mezelf daar eindelijk zou herkennen.
J.J.v.Verre.






