donderdag 12 maart 2026

Apocalyps in pastelkleuren.

 

Op deze ingekleurde ets van Frans Hogenberg (1535-1590) uit 1562 wordt de profetie van Christus over het einde der tijden verbeeld, met engelen die op de achtergrond de ware gelovigen opnemen in de hemel. Een echo van de Openbaring van Johannes van Patmos, de Apocalyps, het laatste boek van het Nieuwe Testament. Zwart/wit afbeelding overgenomen uit artikel NRC 5-3-2026.

Een oude ingekleurde ets onthult in zachte tinten hoe menselijke kwetsbaarheid en kosmische onrust elkaar raken. Tussen ramp en verlossing weerspiegelt de Apocalyps zowel de wereld van toen als de onrust van nu. In reflectie op de huidige oorlog in Iran.


In de ingekleurde ets uit 1562 ontvouwt zich een wereld die tegelijk ver weg en pijnlijk nabij lijkt. De zachte pastelkleuren die het tafereel omhullen, verzachten de contouren van het lijden, maar niet de betekenis ervan. Hongersnood, besmettelijke ziekten, valse profeten en de stille opstijging van engelen die de rechtvaardigen opnemen, het zijn beelden die ontsproten zijn aan de profetie van Christus en aan de visionaire taal van de Openbaring van Johannes. In deze oude afbeelding lijkt de tijd zelf te zijn opengebroken, alsof de wereld haar eigen schaduw had afgeworpen en haar innerlijke waarheid toont. De waarheid dat de mensheid altijd balanceert op de rand van chaos en verlossing.

De Apocalyps is geen verslag van gebeurtenissen, maar een spiegel van menselijke ervaring. Johannes schrijft als iemand die door een scheur in de werkelijkheid heeft gekeken en daar niet alleen vernietiging zag, maar ook een belofte. Zijn visioenen zijn als stormwolken waarin lichtflitsen oplichten: de ruiters die de aarde doorkruisen, het Lam dat de zegels opent, de stemmen die klinken als trompetten. Het zijn beelden die niet bedoeld zijn om te voorspellen, maar om te onthullen. Ze tonen de kwetsbaarheid van beschavingen, de broosheid van orde, en het verlangen van mensen naar een horizon die verder reikt dan hun eigen tijd.  

Wanneer we deze ets bekijken, met haar gelaagde scènes van lijden en hoop, dringt zich onvermijdelijk de gedachte op dat de wereld nog altijd haar eigen apocalyptische verhalen schrijft. De oorlog in Iran, met zijn rook boven steden en zijn echo’s van angst die door de regio golven, lijkt een hedendaagse resonantie van dezelfde existentiële onrust. Niet omdat de geschiedenis zich letterlijk herhaalt, maar omdat de menselijke ervaring van dreiging en ontwrichting telkens opnieuw dezelfde contouren tekent. De berichten over escalaties, strategische belangen en internationale spanningen zijn moderne varianten van het oude refrein dat Johannes al kende: dat naties tegen naties opstaan, dat macht wankel is, en dat mensen worden meegesleurd in krachten die groter zijn dan zijzelf.

Toch is het misleidend om de hedendaagse wereld te lezen als een letterlijk vervolg op de Apocalyps. De oude tekst is geen blauwdruk voor de geschiedenis, maar een innerlijke kaart van menselijke angst en hoop. Wat zich in Iran afspeelt, hoe complex en gelaagd ook, is geen vooraf geschreven hoofdstuk uit een heilig boek, maar een echo van dezelfde kwetsbaarheid die Johannes probeerde te vangen in zijn visioenen. De rook die opstijgt boven steden, de onzekerheid die door samenlevingen trekt, de spanning die als een koord tussen naties gespannen staat, het zijn tekenen van een wereld die haar evenwicht zoekt, niet van een wereld die onvermijdelijk ten onder gaat.

In deze ets uit 1562 zien we hoe mensen zich bewegen tussen wanhoop en verwachting, alsof zij gevangen zijn in een kosmisch ritme dat hen overstijgt. De engelen op de achtergrond, die de rechtvaardigen opnemen, herinneren eraan dat zelfs in tijden van ontwrichting een verlangen naar betekenis blijft bestaan. Misschien is dat de diepste verwantschap tussen de oude prent en de moderne wereld: dat mensen, geconfronteerd met geweld en onzekerheid, blijven zoeken naar een horizon die niet door angst maar door hoop wordt bepaald. De Apocalyps is in die zin geen verhaal van vernietiging, maar van onthulling, een onthulling van wat er gebeurt wanneer de mens wordt teruggeworpen op zijn meest fundamentele vragen.

Zo wordt de ets een spiegel waarin de tijdlagen over elkaar schuiven. Het verleden fluistert tegen het heden, en het heden werpt zijn schaduw terug op het verleden. De oorlog in Iran verschijnt dan niet als een apocalyptisch teken, maar als een herinnering aan de broosheid van menselijke orde, aan de kwetsbaarheid van vrede, aan de noodzaak om telkens opnieuw te zoeken naar een manier van samenleven, die niet door macht, maar door menselijkheid wordt gedragen. In dat licht krijgt de oude prent een onverwachte actualiteit: zij toont niet hoe de wereld zal eindigen, maar hoe zij telkens opnieuw dreigt te kantelen, en hoe mensen, ondanks alles, blijven verlangen naar een wereld die niet door angst maar door compassie wordt gevormd.

Misschien is dat uiteindelijk de stille boodschap die door de pastelkleuren heen klinkt: dat zelfs in de donkerste visioenen een glimp van licht blijft bestaan. Dat de mens, hoe vaak hij ook struikelt, blijft zoeken naar een weg omhoog. En dat de Apocalyps, hoe dreigend ook, altijd de belofte van vernieuwing in zich draagt, een belofte die niet in de hemel begint, maar in het hart van ieder mens die weigert de wereld aan haar eigen duisternis over te laten.



J.J.v.Verre.






donderdag 26 februari 2026

Homerus.

 

Het schilderij "Homerus " in 1663 geschilderd door Rembrandt van Rijn, hangt in het Mauritshuis in Den Haag. Met brede verfstreken schilderde Rembrandt het hoofd van de Griekse dichter. De goudgele mantel van Homerus vangt het licht en glanst zacht; op dat deel bracht Rembrandt de verf opvallend trefzeker aan met zijn paletmes. Het schilderij maakte hij in opdracht van de Siciliaanse edelman Antonio Ruffo. Oorspronkelijk stond ook de schrijver op het doek aan wie de blinde Homerus zijn verzen dicteerde. Dat gedeelte ging echter bij een brand verloren. Rechtsonder zijn nog twee vingers te zien die een pen vasthouden en een vel papier. Homerus (ca 800 v. Chr.-750 v. Chr.).


Homerus verschijnt in onze verbeelding als een figuur die tegelijk dichtbij en ongrijpbaar is. Zijn naam klinkt als een fundament onder de Europese cultuur, maar achter die naam schuilt een menselijke entiteit die we nooit werkelijk hebben gekend. Juist dat maakt hem zo intrigerend: hij is aanwezig in elke regel die aan hem wordt toegeschreven, maar afwezig als persoon. Een stem zonder lichaam, een bewustzijn dat zich alleen via verhalen laat kennen. In die verhalen ontvouwt zich een wereld die tegelijk archaïsch en herkenbaar is, een wereld waarin mensen strijden om roem, om liefde, om erkenning, en waarin de goden slechts de grillige achtergrond vormen van menselijke verlangens en tekortkomingen.

In de figuur van Homerus komt een paradox samen. Hij is de schepper van helden die groter dan het leven lijken, maar zelf blijft hij klein, bijna onzichtbaar. Zijn personages treden naar voren met een kracht die de dichter overstijgt, alsof hij slechts het kanaal was waardoor een oudere, collectieve stem sprak. Toch is er in zijn verzen een opmerkelijke gevoeligheid te vinden, een aandacht voor de kwetsbaarheid van mensen die niet past bij het beeld van een enkel anonieme lyrische dichter. Hij beschrijft de woede van Achilles, maar ook de wanhoop van Priamus; hij toont de slachting op het slagveld, maar laat evenveel ruimte voor de stilte waarin een moeder haar zoon verliest. In die balans tussen grootsheid en menselijkheid schuilt misschien het geheim van zijn blijvende invloed.

Homerus is niet alleen een verteller van verhalen, maar ook een dichter van herinnering. Zijn werk is een poging om het vergankelijke vast te houden, om de daden van stervelingen te bewaren in een capsule die de tijd trotseert. De helden die hij bezingt, weten dat hun leven kort is, maar hopen dat hun naam blijft klinken zolang mensen luisteren. In die zin is Homerus zelf een van zijn eigen personages: iemand die de sterfelijkheid probeert te overstijgen door woorden te geven aan wat anders zou verdwijnen. Dat hij blind zou zijn geweest, zoals de overlevering vertelt, maakt dit beeld alleen maar sterker. Het suggereert dat zijn blik niet gericht was op de zichtbare wereld, maar op een innerlijk landschap waarin herinnering, mythe en ervaring samenvloeien.

Het heldendom dat Homerus beschrijft, is geen eendimensionale glans van onverschrokken moed. Het is een complex weefsel van eerzucht, angst, trots en kwetsbaarheid. Achilles, de grootste van de Griekse helden, is niet alleen een krijger die zijn vijanden overweldigt; hij is ook een man die zich terugtrekt in zijn tent omdat zijn eer is gekrenkt, iemand die zijn eigen sterfelijkheid onder ogen moet zien en daar wanhopig tegen vecht. Hector, zijn Trojaanse tegenhanger, is evenzeer een held, maar zijn heldendom is doordrenkt van plichtsbesef en de angst om zijn familie in de steek te laten. In deze figuren toont Homerus dat heldendom niet bestaat uit onkwetsbaarheid, maar juist uit het vermogen om te handelen ondanks de wetenschap dat men kan falen, verliezen of sterven.

De spanning tussen grootsheid en kwetsbaarheid vormt de kern van het mensbeeld dat Homerus schetst. Zijn helden zijn niet verheven boven de menselijke conditie; ze zijn er juist een uitvergroting van. Ze dragen de verlangens en angsten die ieder mens kent, maar dan op een schaal die de grenzen van het gewone leven overstijgt. Daardoor worden hun daden symbolisch: ze laten zien hoe ver een mens kan gaan in zijn streven naar betekenis, maar ook hoe diep hij kan vallen wanneer zijn ambities hem verblinden. In die zin is Homerus geen verheerlijker van geweld, maar een verslaggever van de menselijke ziel, die in haar meest extreme vormen zichtbaar wordt op het slagveld.

De menselijkheid in zijn werk komt niet alleen naar voren in de helden, maar ook in de momenten van stilte die hij tussen de grote gebeurtenissen plaatst. Een moeder die haar zoon smeekt niet te gaan vechten, een oude koning die de moordenaar van zijn zoon om diens lichaam smeekt, een vrouw die haar man voor het laatst ziet vertrekken, het zijn allemaal scènes die de epische schaal doorbreken en de lezer terugbrengt naar de intieme werkelijkheid van verlies en liefde. Deze momenten maken duidelijk dat achter elke held een netwerk van relaties schuilgaat, en dat de gevolgen van heldendom vaak door anderen worden gedragen. Het is specifiek in deze scènes dat Homerus' empathie het sterkst voelbaar wordt, want hij ziet de mens niet alleen als strijder, maar als een menselijk wezen dat liefheeft, rouwt en hoop koestert. Deze relatie tussen heldendom en menselijkheid is bij Homerus nooit eenvoudig. Heldendom vraagt om daden die het gewone overstijgen, maar diezelfde daden brengen vaak lijden met zich mee, zowel voor de held zelf, als voor zijn omgeving. De zoektocht naar roem is tegelijk een zoektocht naar betekenis, maar ook een confrontatie met de grenzen van het menselijk bestaan. Homerus laat zien dat ware grootsheid niet ligt in het ontkennen van die grenzen, maar juist in het erkennen ervan. Hun sterfelijkheid vormt de kern van die grootsheid: ze weten hoe kort hun leven is, maar handelen toch met onvervalste vastberadenheid. Hun menselijkheid is zeker geen zwakte, maar juist de bron van hun kracht.

Wanneer we Homerus nu lezen, herkennen we in zijn verhalen de contouren van onze eigen worstelingen. We zien hoe mensen hun leven proberen vorm te geven in een wereld die groter is dan zijzelf, hoe ze zoeken naar een balans tussen ambitie en verantwoordelijkheid, tussen verlangen en plicht. Zijn werk zal ook blijven resoneren omdat het niet alleen gaat over oorlog en helden, maar over de cruciale vraag wat het betekent om mens te zijn in een wereld vol onzekerheid. Homerus biedt geen antwoorden, maar hij toont wel de diepte van die vragen die ons blijven bezighouden.

Zo zal hij altijd aanwezig blijven, niet alleen als een historische figuur die we kunnen reconstrueren, maar ook als een steeds terugkerende stem in onze cultuur. Zijn verhalen blijven voortleven, omdat ze ons uitnodigen om na te denken over onze eigen plaats in de wereld, en over de manier waarop we betekenis geven aan ons bestaan. In die zin is Homerus zelf misschien wel de grootste held van zijn eigen verhalen, namelijk iemand die, zonder gezicht en zonder biografie, het mensdom al talloze generatie heeft weten te raken. Zo blijft deze dichter door de eeuwen heen zijn stem laten horen, soms als een stille herinnering, dat de mens zichzelf pas werkelijk begrijpt, wanneer hij luistert naar de verhalen die hem hebben voortgebracht. En zo blijft zijn stem, hoe oud ook, een didactische echo die ons eraan herinnert dat elke generatie opnieuw moet leren luisteren.


J.J.v.Verre.

zaterdag 14 februari 2026

Waar de tijd zijn adem inhoudt.

 

In de schaduw van twee onvervulde momenten, waar de tijd zijn adem inhoudt, klinkt een melodie van wat had kunnen zijn. De stille symfonie tussen twee schoten, als snaren van een ongeboren toekomst.

Als er een tijdmachine zou bestaan waarmee je de geschiedenis zou kunnen veranderen. Wat zou dan de impact kunnen zijn op onze huidige situatie? Stel dat we Hitler konden vermoorden in 1942 en de moord op Kennedy in 1963 hadden kunnen voorkomen. Wat zou dat kunnen betekenen?


Er zijn momenten in de tijd die trillen als snaren, momenten waarop de wereld even lijkt te aarzelen, alsof de geschiedenis zelf zijn adem inhoudt. Stel je voor dat we langs die snaren konden glijden, dat we met een zachte aanraking de trilling van de tijd zelf konden voelen, alsof elke beweging een vergeten mogelijkheid wakker kust en elke glimp van licht ons herinnert aan de paden die nooit zijn gekozen. Dat we door een fragiele aanraking van die snaar één toon konden dempen of juist laten klinken. Twee van die snaren liggen ver uit elkaar, en toch raken zij dezelfde melodie: de draad van macht, van hoop, van angst, van wat had kunnen zijn.

In het jaar 1942 staat Europa in brand. De lucht ruikt naar rook en ijzer, en de aarde draagt de voetstappen van miljoenen die niet weten wat er nog gaat komen. In een verborgen kamer, achter muren met oren, wordt gefluisterd over een daad van verraad en wanhoop en wordt een plan gesmeed. Eén enkele daad, één enkele kogel, en een man die zijn schaduw over een continent werpt, zou verdwijnen. Stel je voor dat het was gelukt. Dat de stilte die volgde niet de stilte van angst was, maar een pauze waarin de wereld even niet wist welke richting ze moest kiezen. Machtige mannen zouden elkaar hebben aangekeken, zoekend naar een nieuwe sterke leider, een nieuwe koers, doch misschien wel een nieuwe waanzin. Misschien was het Derde Rijk als een kaartenhuis ingestort, misschien had snel een ander de troon beklommen met dezelfde honger naar vernietiging. Maar misschien, heel misschien, had de oorlog zijn tanden verloren, had de wereld minder littekens gedragen, had Europa een andere huid gekregen, minder ruw, minder verscheurd. En in die zachtere huid had de tijd zelf misschien een andere richting gekozen, alsof de geschiedenis even stotterde en ons een milder vooruitzicht had gegund.

En dan, ruim twintig jaar later, op een zonnige herfstdag van 1963 in Dallas. Een open auto, een glimlach die door de menigte glijdt als een belofte. De wereld kijkt, niet wetend dat ze op het punt staat een schok te voelen die door decennia zal echoën. Maar stel je voor dat de kogels nooit waren afgevuurd, dat de wind niets anders droeg dan gejuich. Een jonge president die zijn plannen had kunnen afmaken, die mogelijk een oorlog had kunnen temperen voordat die uitgroeide tot een wond in de Amerikaanse ziel. Een man die de sterren in de nacht had aangewezen en gezegd: daar gaan we heen, samen, naar de horizon die alleen wachtte tot wij haar durfden te benaderen. Misschien was de verdeeldheid dan minder diep geworden, misschien had de natie een andere toon gevonden, zachter en minder scherp. Maar de wereldorde, die grote kolkende rivier die al sinds 1945 zijn bedding had gevonden, zou niet plotseling van richting zijn veranderd. Die stroom zou blijven gaan, mogelijk iets rustiger, maar niet anders van aard.

Twee momenten, twee mogelijke verschuivingen in de tijd. De ene een aardbeving die de fundamenten van de wereld had kunnen breken, de andere een golf die vooral de kusten van één land had beroerd. En toch dragen beide een melancholie in zich, een zweem van wat nooit is gebeurd, maar wat zich toch aan de rand van de werkelijkheid ophield. Want geschiedenis is geen rechte lijn; het is het tapijt van keuzes, toevalligheden en stiltes. En soms, als we ernaar kijken, zien we de draden die hadden kunnen glanzen, maar die dof zijn gebleven.

Misschien is dat wel de ware magie van deze gedachte: niet dat we de tijd zouden kunnen veranderen, maar begrijpen hoe kwetsbaar ze is. Hoe één ademteug, één beslissing, één moment van toeval de wereld kan herscheppen. En hoe wij, in onze eigen kleine tijd, nog steeds over die snaren lopen, luisterend naar de melodie die we samen maken.

Tussen de duisternis van macht en het licht van belofte zweeft de ziel van de mensheid, en in Hitler en Kennedy weerspiegelt zich de eeuwige strijd tussen vernietiging en hoop. De één belichaamde het diepste dal van menselijke waanzin, waar ideologie de adem van miljoenen verstikte. De ander stond als een jonge fakkel aan het begin van een pad dat nooit volledig werd gelopen, een belofte die op die zonnige dag verdampte. En toch zijn ze verbonden, niet door hun daden, maar door hun invloed op het kompas van de tijd. Want waar de een de wereld in stukken sneed, probeerde de ander haar opnieuw te hechten. Hun namen zijn geen tegenpolen, maar weerklanken in dezelfde grot van schaduwen die de geschiedenis bevolken, en waarin wij nog steeds luisteren naar wat had kunnen zijn. En in die fluisterende woorden herkennen we niet alleen hun sporen, maar ook onze eigen neiging om telkens opnieuw te kiezen tussen breken en helen, tussen duisternis en het kwetsbare licht dat ons vooruit blijft roepen. En zo blijft hun schaduw een stille herinnering dat elke keuze de wereld opnieuw kan vormen. De ware les van elke verhandeling omtrent een imaginaire tijdmachine is: dat niet het tijdreizen zelf ons verandert, maar het besef dat elke seconde een kruispunt is waarop de wereld opnieuw kan beginnen.


J.J.v.Verre.


zaterdag 31 januari 2026

Begeerte.

 

              Begeerte is verlangen dat alleen maar meer wil.


Begeerte is verlangen dat steeds verder wil. Een zin die zich gedraagt als een ademhaling die niet kan eindigen, een golf die door een onzichtbare maan telkens opnieuw naar de kust wordt geduwd. In die beweging schuilt iets dat zowel menselijk als kosmisch is, alsof verlangen niet louter een innerlijke impuls is, maar een oeroude kracht die door ons heen reist, op zoek naar vorm, naar stem, naar een lichaam waarin zij even kan rusten voordat zij weer verder trekt.
Begeerte is nooit tevreden met wat zij vindt. Zij raakt haar object slechts vluchtig aan, zoals een vogel die even op een tak neerstrijkt om onmiddellijk weer op te vliegen. Het is een honger die niet voortkomt uit tekort, maar uit overvloed. Een overvloed aan mogelijkheden, aan beelden, aan dromen die zich aandienen als spiegels waarin wij onszelf telkens opnieuw herkennen en verliezen.
In begeerte ligt een vreemd soort helderheid besloten. Zij toont ons wat wij nog niet zijn, of wat wij ooit waren en opnieuw willen worden. Zij fluistert dat er altijd een verder is, een dieper, een nog niet betreden ruimte waarin onze ziel zich kan ontvouwen. En toch is zij geen tiran, maar eerder een gids die ons uitnodigt te bewegen, ons waarschuwt niet te verstarren in het voltooide. Want het voltooide is stil, en begeerte is beweging. Zij is de trilling in de lucht vlak vóór de regen valt, het zacht knetterende branden van een kaars die weigert te doven, het ruisen van een veld in de avondwind dat ons herinnert aan het feit dat niets ooit werkelijk stilstaat.
Misschien is begeerte daarom zo intiem verweven met het leven zelf. Wie verlangt, leeft dubbel: in het hier en in het daar, in het tastbare en in het mogelijke, waar verbeelding en lichamelijkheid elkaar ontmoeten. Begeerte opent een kier in de werkelijkheid waardoor het licht van een andere wereld naar binnen valt. Soms is dat licht zacht en troostend, soms scherp en onrustig, maar altijd wijst het naar een horizon die ons uitnodigt verder te gaan. En in dat gaan, in dat steeds opnieuw willen, ontstaat een ritme dat ons draagt, zelfs wanneer wij denken te verdwalen.
Begeerte is verlangen dat steeds meer wil, niet uit gulzigheid, maar omdat het weet dat het leven zelf een voortdurende stroom is. Zij herinnert ons eraan dat wij gemaakt zijn om te bewegen, te groeien, te reiken naar wat nog niet is aangeraakt. En misschien schuilt daarin haar bijzondere schoonheid, dat zij ons telkens opnieuw wakker kust, ons optilt uit de sluimer van het genoeg, en ons laat voelen dat wij nog altijd onderweg zijn, open en ontvankelijk voor het wonder van wat zou kunnen zijn. En zo blijft begeerte een stille beweging in ons voortbestaan, een onzichtbare hand die ons steeds weer naar de horizon terugdraait. Alsof wij zelf slechts even het middelpunt zijn van een verlangen dat verder kijkt dan ons bestaan. En in dat draaien, dat telkens opnieuw reiken, wordt ons bestaan een open beweging: een stille kracht van verlangen die ons draagt voorbij de grens van het bekende.

 

J.J.v.Verre.






dinsdag 2 december 2025

De menselijke cel.

 

De humane cel is een universum dat zichzelf waarneemt, een oneindig bewustzijn dat zich tijdelijk in stof heeft gehuld, dansend op het mysterie van haar eigen bestaan. Dit perspectief verbindt de biologische realiteit met de diepste spirituele inzichten, namelijk dat wij, net als elke cel, zowel de waarnemer als hetgeen wordt waargenomen zijn. In de onzichtbare dialoog van moleculen ontwaakt het oneindige en de cel herinnert zich dat zij ster is geweest.


De cel is de microkosmos van leven. Je zou het ook kunnen beschouwen als het onzichtbare universum. Als we naar onszelf of naar de wereld om ons heen kijken, zien we zelden de verbijsterende realiteit, namelijk het feit dat elk levend wezen bestaat uit triljoenen minuscule, perfect georganiseerde universa, cellen genoemd. Deze biologische eenheid, vaak onzichtbaar voor het blote oog, vormt niet alleen de basis van al het leven, maar is ook een meesterwerk van evolutionaire innovatie. Elke cel is een wonder van organisatie. Want stelt u zich voor, in een ruimte kleiner dan een zandkorrel bevindt zich een complete fabriek met een genetische bibliotheek, met energetische krachtcentrales, met transportnetwerken en communicatiesystemen.

De genetische bibliotheek is een meesterwerk van organisatie. Het bibliotheekgebouw is de celkern. De architectuur, de chromatine structuur, zijn de rekken en planken. De chromosomen zijn de boeken. Zesenveertig boeken in elke menselijke cel (23 paar). Elk chromosoom is een samengebonden boek. En de genen zijn de individuele hoofdstukken in deze boeken. De letters zijn het alfabet van leven. Bestaande uit 4 basen: A, T, C, G (Adenine, Thymine, Cytosine en Guanine). En in combinatie net zoals letters woorden vormen, vormen basen genen. Drie miljard letters in de complete menselijke bibliotheek. Histonen zijn de boekenplanken, eiwitstructuren waar DNA omheen gewonden is. Het zorgt tevens voor de organisatie, als boeken die netjes op planken zijn gerangschikt. En heeft invloed op de toegankelijkheid. Strak opgerold betekent minder toegankelijk en losjes opgerold betekent makkelijk te lezen. Het bibliotheek personeel kent gespecialiseerde transcriptie medewerkers. De foto kopieerder die als het RNA-polymerase specifieke pagina’s kopieert. Het Transfer-RNA, de bibliotheek medewerkers die aminozuren aanleveren. En dan natuurlijk nog de bibliothecarissen, de transscriptiefactoren die bepalen welke boeken mogen worden uitgeleend. Epigenetische markers, de plakbriefjes die aangeven of een boek wel/niet mag worden gelezen. In die bibliotheek zijn ook nog bijzondere afdelingen. Zoals de afdeling Handboek, ongeveer 2% van de ruimte in het gebouw, speciaal ontworpen voor coderend DNA. Genen die voor eiwitten coderen, die essentiële instructies bevatten voor bouwplannen en levensprocessen. De archieven voor niet coderend DNA, vroeger ook wel junk-DNA genoemd, beslaat 98% van de ruimte in het gebouw. Ze hebben een regulerende functie, het zijn schakelaars, ze bepalen het tempo en bieden structurele ondersteuning. Er bestaan ook nog reservedocumenten (back-up systemen). De DNA reparatie enzymen, die de boek restauratoren kunnen worden genoemd en de telomeren, de schutbladen die slijtage opvangen. De dynamische bibliotheek kent een adaptief systeem, zoals genexpressie, waarbij verschillende cellen verschillende boeken lenen. De bibliotheek past zich altijd aan aan omgevingsinvloeden. En heeft ook de erfelijkheidsstatus waarbij een complete kopie wordt doorgegeven bij celdeling. Ook kent de bibliotheek nog vele mysterieuze aspecten zoals Splicing waarbij de vraag zich voordoet hoe het mogelijk is dat dezelfde genen verschillende boeken kunnen produceren. Splicing is de moleculaire kunst van het weglaten, want wat er niet is kan even belangrijk zijn als wat er wel is. De mysterieuze vraag van de epigenetica: Hoe worden “gelezen “ voorkeuren doorgegeven? Hoe weet een epigenetisch mechanisme welke genen het moet aanpassen? En hoelang die aanpassing moet duren? En wanneer het moet worden doorgegeven? Onopgeloste vragen en zo komen we bij een hypothese van het zelfbewustzijn van de cel. Deze beschouwing probeert het mysterie te omcirkelen dat de cel niet alleen is, maar ook lijkt te weten dat ze is en dat dit misschien de diepste waarheid van het leven zelf is. Epi genetica toont dat we niet vastgeketend zijn aan ons genetische lot. We zijn actieve deelnemers in onze biologische expressie. Elke gedachte, elke maaltijd, elke ademhaling speelt mee in de totale symfonie van onze genexpressie. Dit is eigenlijk het grootste mysterie, dat we dagelijks meeschrijven aan ons eigen epigenetisch verhaal en dat verhaal weer deels doorgeven aan toekomstige generaties.

De energetische krachtcentrales, de mitochondriën die brandstof omzetten in levenskracht. Er bestaan zo’n 1000-2500 mitochondriën per cel. Het zijn eigenlijk zelfstandige organellen met een dubbelmembraan en met een eigen kleine genoom (mtDNA), dat verschilt van het DNA uit de celkern en dat grotendeels via de moeder wordt overerft. Ze produceren 90% van uw lichaamsenergie. In één enkele seconde worden er 10 miljoen moleculen ATP per mitochondrie geproduceerd. Uit zuurstof + voedsel wordt ATP opgebouwd + water en warmte. Adenosine Trifosfaat ( ATP) is de universele energiemunt van alle levende cellen. ATP is als een oplaadbare batterij, de opgeladen vorm heet ATP (volle energie) en de ontladen vorm heet ADP (lege batterij) en de lader zijn de mitochondriën. Zonder ATP bestaat er geen spierbeweging, geen zenuwgeleiding, geen celgroei, geen onderhoud van alle lichaamsfuncties en binnen seconden zou leven onmogelijk zijn. ATP is de essentie van biologische energie in haar puurste, direct bruikbare vorm. Het is de moleculaire munt waarmee alle cellen betalen voor hun levensprocessen.

De transportnetwerken van de cel zijn een geavanceerd logistiek systeem. Het endomembraansysteem kan worden beschouwd als de cellulaire snelwegen. We spreken van het endoplasmatischreticulum (ER), waarbij er een onderscheid wordt gemaakt tussen het ruw ER, met ribosomen voor eiwitproductie en transport. En het glad ER, voor lipide synthese en ontgifting. Hun functie is de transportroute voor nieuw gesynthetiseerde moleculen. Het Golgi-apparaat kun je beschouwen als het distributiecentrum, het ontvangt eiwitten van het ER, sorteert, bewerkt en verpakt moleculen en stuurt ze naar hun bestemming. Dit kan zijn naar de celmembraan, naar lysosomen of naar de extracellulaire ruimte. Verder spreken we nog over het cytoskelet, de combinatie van spoorwegen en snelwegen. Dit netwerk bestaat uit microfilamenten (actine), welke we provinciale weggetjes kunnen noemen. De intermediaire filamenten, de steunpilaren en de microtubuli, de snelwegen voor vrachttransport. De microtubuli zijn holle buisvormige structuren die bestaan uit eiwitketens van tubuline. Ze dienen als rails waarlangs de motoreiwitten kinesine en dyneïne moleculen (vrachtwagens), organellen en vesikels door de cel transporteren. Kinesine loopt naar de periferie van de cel en dyneïne loopt naar de celkern en beide gebruiken ATP als brandstof. Er bestaan nog gespecialiseerde transportmechanismen via membraanzakjes (vesikels) of door kernporiën of via membraantransporteiwitten. Via deze transporteiwitten lopen kanalen voor passief transport en pompen voor actief transport, waarvoor weer ATP nodig is. Verder worden er dragers onderscheiden voor een gefaciliteerde diffusie. Verder worden nog bijzondere vormen onderscheiden zoals het axonaal transport in zenuwcellen en het bulktransport voor de opname van grote deeltjes (endocytose) of uitscheiding van grote deeltjes (exocytose). Het cel transport is uiterst gereguleerd met vergelijkbare adreslabels als signaalsequenties. Kwaliteitscontrole waarbij onjuist gevouwen eiwitten worden afgebroken. Ook verkeersregelaars als de GTPasen en chaperonne eiwitten. GTPasen zijn moleculaire schakelaars die processen reguleren, chaperonnes zijn vouwassistenten die eiwitstructuur bewaken, samen zijn het essentiële spelers in de cellulaire homeostase. Zij vormen samen het ritme en de harmonie van het cellulaire leven.

De communicatiesystemen van de cel zijn een meesterwerk van moleculair ontwerp. De cel is geen geïsoleerd eiland, maar een sociaal wezen dat constant communiceert met zijn omgeving en met zichzelf. Dit communicatienetwerk is essentieel voor overleving, groei en homeostase. Er bestaan ruwweg drie hoofdvormen van communicatie: Ten eerste het directe contact, vergeleken met de handdruk. Gap junctions, als directe verbinding tussen aangrenzende cellen. De membraaneiwit interacties, de receptor-ligand binding genoemd. De receptor-ligand binding is de interactie waarbij een molecuul (de ligand) zich specifiek bindt aan een ander molecuul (de receptor), wat een signaal binnen een cel in gang zet. De binding veroorzaakt een verandering in de vorm van de receptor, wat weer leidt tot een reactie, zoals het doorgeven van een signaal dat processen in de cel beïnvloedt, zoals cel communicatie, immuniteit en metabolisme.

Ten tweede, de lokale communicatie, het fluisteren genoemd. Paracriene signalering, hierbij werken signaalmoleculen op naburige cellen. De ander is de synaptische transmissie, waarbij neurotransmitters over de synaptische spleet actief zijn. De derde vorm is de hormonale communicatie, die als radio-uitzending kan worden omschreven. Ook wel endocriene signalering genoemd, waarbij hormonen via de bloedbaan invloed uitoefenen op doelcellen. Het is een langzamer maar wijdverspreid effect. Bij een pathologische communicatie kunnen ongecontroleerde groeisignalen ontstaan die kanker kunnen induceren. Of auto-immuunziekten waarbij er verwarring bestaat tussen zelf en niet-zelf. Diabetes door insuline-signaleringsdefecten. Of neurodegereratie door verstoorde synaptische communicatie.

De celwand is niet slechts een harnas, het is bij nadere beschouwing een uiterst complex en dynamisch orgaan. Naast steun en bescherming, is de celwand onmisbaar voor andere vitale processen. Hij is doordringbaar voor water en opgeloste stoffen, wat een vrije doorgang mogelijk maakt voor nutriënten en signaalmoleculen. Tevens is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de celwand en de celmembraan. Alle cellen hebben een celmembraan, een flexibele, vette dubbellaag die de celinhoud omsluit en de uitwisseling van stoffen regelt. De celwand daarentegen is een extra, stevige laag die buiten het celmembraan ligt. Dierlijke cellen missen een celwand, wat hen hun flexibiliteit en vermogen tot beweging geeft.

Wat mij het meest fascineert is het principe van zelforganisatie. Zonder centrale regisseur coördineren miljarden cellen hun activiteiten. Elke cel weet wanneer te delen, wanneer te specialiseren en dat is misschien wel het meest indrukwekkend, wanneer te sterven voor het grotere geheel. Dit proces van apoptose toont een diepgaand evolutionair besef, want het weet soms is opoffering nodig voor groei en gezondheid.

Er bestaan treffende parallellen tussen de cel en grotere systemen. Net zoals cellen samenwerken in weefsels, vormen wij samen maatschappijen. De communicatie tussen cellen weerspiegelt onze eigen sociale netwerken. Zelfs in de ecologie zien we vergelijkbare patronen van wederzijdse afhankelijkheid. Het is een symfonie van signalen, soms een fluistering tussen buren, dan weer een schreeuw door de bloedbaan, of een intiem gesprek met zichzelf. In deze microscopische samenleving weet elk molecuul zijn plaats, elke boodschap zijn bestemming en elke cel zijn plaats in het grotere geheel.

Wat we nu weten over de biologische cel zijn de basale structuren, veel van de afzonderlijke processen en genetische basisprincipes. Maar wat grotendeels mysterieus blijft is de emergente complexiteit, want hoe ontstaat cel identiteit en weefselorganisatie uit duizenden afzonderlijke chemische reacties? De som der delen is kwalitatief duidelijk meer dan het geheel. Nieuwe eigenschappen ontstaan uit interacties. Het leven is de dans tussen de delen, maar niet de optelsom van de delen zelf. Ook de real-time coördinatie is verrassend. Want hoe coördineren cellen duizenden processen tegelijkertijd zonder een centrale regie? Het is een zelf organiserend netwerk van verbijsterende efficiëntie. Hoe past een cel zich zo snel en nauwkeurig aan aan de veranderende omstandigheden? Het geheugensysteem van cellen overstijgt ons DNA.

Een andere grote vraag blijft, hoe ontstaat bewustzijn uit deze biologische eenheden? Hoe transformeren elektrochemische signalen in neuronen tot gedachten, emoties en zelfbewustzijn?

Vanuit spiritueel filosofisch perspectief zou men kunnen zeggen dat de cel de complexiteit van het universum in het klein weerspiegelt. Er schuilt een diepe intelligentie in biologische systemen die ons begrip te boven gaat. Elke cel bevat nog talloze onontdekte principes en het is de uitnodiging van diezelfde biologische cel om zowel nederig als nieuwsgierig te blijven en doorgaan met zoeken naar de antwoorden, terwijl we het mysterie omtrent die cel blijven eren. Want hoe dieper we in de cel kijken, hoe meer we het onpeilbare van het leven zelf tegenkomen. Misschien dat we ooit zullen begrijpen hoe alle mechanismen samenkomen, maar nooit helemaal waarom. Er blijft een diepe kloof tussen de beschrijvende wetenschap en het existentiële wonder. We kunnen de moleculaire machines in kaart brengen, de krachtige rotatie van het ATP-synthase-enzym, de elegante precisie van DNA-replicatie, de onmetelijke complexiteit van een neuraal netwerk. We kunnen de blauwdruk van het leven ontcijferen. Maar de essentie, het feit dát er vanuit die samenstelling van elementen een bewustzijn, een wil, een “ zelf ” ontstaat, blijft een ondoorgrondelijk mysterie.


In elke triljardste trilling van haar wezen zingt de cel het lied van het universum, een echo van oorsprong, een stil verlangen dat richting geeft. Uit het stille hart van de cel welft een licht dat de eeuwigheid herinnert. Een herinnering zonder herkomst, een weten zonder tijd.


J.J.v.Verre.


donderdag 13 november 2025

Het binnenste van onze aarde.

 

Wie het binnenste van de aarde probeert te zien, kijkt uiteindelijk ook naar het binnenste van het mens-zijn. Want onder elke oppervlakte klopt een kern die ons beweegt, verwarmt en voortstuwt, weliswaar onzichtbaar, maar onmiskenbaar aanwezig.


Onder de trillende huid van het leven, onder de voetstappen van de mens en de wortels van de bomen en planten met hun verbindende schimmelnetwerk, daalt een andere wereld af. Een wereld van duisternis die geen donkerte is, maar een oorspronkelijk licht, uitgestraald door de eigen gloed van de aarde. Wij bewoners zijn haar schil, de dunne korst van een onpeilbare diepte, zoals onze gedachten de oppervlakte van de ziel beroeren.

Daar, in de mantel, heerst een tijd die de onze niet kent. Het gesteente, voor ons een symbool van onwrikbaarheid, is hier een trage, majestueuze rivier. Het perst zichzelf uit alle herinnering, een geologische gedachte die duizend jaar nodig heeft voor één enkele wending. Waarbij zo’n wending de complete, cirkelvormige reis van gesteente in de mantel beschrijft, een proces dat zo traag verloopt dat het de menselijke tijdschaal volledig tart en zich afspeelt over een tijdspanne die langer duurt dan de gehele geschiedenis van onze menselijke soort. Het is de hartslag van onze planeet in ultrageluid. Dit is het rijk van het immense geduld, de onhoorbare kracht die continenten laat dansen en bergen laat verrijzen. Het is de ademhaling van de planeet zelf, een zucht die langer duurt dan alle beschavingen samen.

En dieper nog, voorbij de drempel van het vaste, klopt het eigenlijke hart: de kern. Een kathedraal van vloeibaar ijzer, een oceaan van metaal die rondwervelt in een eeuwige cirkelgang. Hier smeedt de aarde haar ziel, haar magnetische wezen. Dit is de verborgen smidse, de oorsprong van de onzichtbare kracht die de naald van het kompas richting noorden doet wijzen, die het poollicht aanwakkert en een schild weeft tegen de kosmische straling. Het is een herinnering aan de oer gewelddadige geboorte van ons zonnestelsel, een gloeiende erfenis diep in ons aller binnenste.

Maar wat zegt dit diepe, verborgen innerlijk ons? Het zegt dat het wezen der dingen niet ligt in wat zichtbaar is, maar in wat verborgen is. Dat de stilte niet leeg is, maar vol van een onvoorstelbare activiteit. Dat de steen onder onze voeten niet dood is, maar leeft op een tijdschaal die onze verbeelding trotseert. We zijn gasten op de huid van een reus, gevoed door de warmte van een hart dat we nimmer zullen aanschouwen. Het binnenste van de aarde is onze grootste metafoor. Voor het onbewuste, voor de geheime drijfveren, voor de gloeiende kern van creatie die in alles schuilt. Het nodigt ons uit om, net als Jules Verne’s helden, niet slechts naar de horizon te reizen, maar naar het centrum van onszelf, naar die verborgen vuurzee die ook in ons klopt, de stille, vormende kracht die ons, vaak ongemerkt, draagt en richting geeft. En zo zijn wij, met onze jachtige dagen, slechts een voorbijgaande rimpeling op de huid van die reus die zijn eeuwen traag en diep ademt. En wie heel stil is, kan in z’n eigen polsslag de echo voelen kloppen van dat oeroude, metalen hart, de kern van deze diepgang. Zo verbindt de stilte in onszelf zich met de resonantie van de aarde en wordt de puls van haar metalen kern een zacht, onzichtbaar anker in onze diepste stilte.


J.J.v.Verre.

zondag 26 oktober 2025

De Eonentheorie.

 

De Eonentheorie van Jean Émile Charon, de vergeten droom op zoek naar de Ziel in de schaduw van het Atoom.


In de hoogtijdagen van de 20e-eeuwse natuurkunde, waarin de kwantumtheorie en relativiteit ons begrip van de kosmos voor altijd veranderden, waagde een Franse wetenschapper een gedurfde sprong. Zijn naam was Jean Émile Charon en zijn missie was niet alleen om de wetten van het universum te verenigen, maar ook om binnen die wetten een plaats te vinden voor het meest ongrijpbare fenomeen van allemaal, namelijk het menselijk bewustzijn. Zijn levenswerk, de Eonentheorie, is een vergeten meesterwerk van wetenschappelijke speculatie, weliswaar een visionair, maar omstreden, bouwwerk waar de harde wetten van de fysica dansen met de eeuwige vragen rond de ziel.

Heel fundamenteel gesteld, maar wat is een Eon? Stelt u zich voor dat u naar een zandkorreltje kijkt en dan verder inzoomt, voorbij de moleculen, de atomen, de quarks. Volgens Charon kom je dan uiteindelijk bij de ultieme bouwsteen van de realiteit, het eon. Dit is geen gewoon deeltje. Het is geen bezield elektron, quark of foton. Charon stelde dat eonen de fundamentele bouwstenen zijn waaruit deze deeltjes zijn opgebouwd. Denk aan het verschil tussen een baksteen en een volledig gebouwd huis. Een elektron zou in deze analogie het huis zijn en de eonen de individuele bakstenen. Het is een oneindig klein, complex universum op zichzelf. Charon omschreef het als een microscopisch zwart gat of wormgat. Het revolutionaire idee is dat elke eon een interne structuur heeft, een eigen, afgesloten ruimtetijd die losstaat van de onze. Binnenin deze minuscule wereld heerst wat Charon de imaginaire tijd noemde. Stel je onze tijd voor als een rechte lijn die van verleden naar toekomst loopt, dan is die imaginaire tijd een cirkel die oneindig draait. In deze cirkelvormige tijd slaat de eon alle informatie op die hij tijdens zijn bestaan tegenkomt. Elke interactie, elke ontmoeting met andere eonen, wordt een onuitwisbaar onderdeel van zijn innerlijke weten, zijn specifieke logboek. Op deze manier wordt elke eon een onsterfelijke drager van informatie, een kosmisch geheugen.

Dit is de synthese waar materie en geest samenvloeien. Dit is waar Charons theorie van zuivere fysica naar metafysica glijdt en waar hij de traditionele wetenschap uitdaagde. Als alles, van een sterrenstelsel tot een menselijke hersencel, is opgebouwd uit deze bewuste informatie opslaande eonen, waar komt dan ons eigen bewustzijn vandaan? Charons antwoord was zowel elegant als radicaal, want hij zei: Ons bewustzijn is het collectieve bewustzijn van de eonen in onze hersenen. Ons brein functioneert niet als de bron van bewustzijn, maar als een meesterdirigent die de biljoenen individuele klokken van de eonen synchroniseert tot één coherente symfonie, namelijk het Zelf. In deze visie is bewustzijn geen bijproduct van chemische reacties, maar een fundamentele eigenschap van de kosmos, net als massa of lading. Deze filosofie, bekend als het panpsychisme, vindt in de Eonentheorie een complexe wetenschappelijke verklaring. De implicaties zijn diepgaand. Het biedt een antwoord op de vraag wat er met ons bewustzijn gebeurt als het lichaam sterft. Voor Charon was het antwoord simpel: niets! De georganiseerde structuur van het brein valt uiteen, maar de individuele eonen, elk beladen met een leven vol opgedane ervaringen en herinneringen, zijn onverwoestbaar. Ze verspreiden zich door het universum, klaar om deel uit te maken van nieuwe, complexe systemen. Het is een concept dat doet denken aan reïncarnatie, maar dan niet mystiek of religieus. In Charons ogen was het een logisch, bijna onvermijdelijk gevolg van de aard van de materie zelf.

Ondanks zijn elegantie en ambitie is de Eonentheorie nooit doorgedrongen tot de mainstream wetenschap. De kritiek is natuurlijk voorspelbaar, maar niet onterecht. Ten eerste is de theorie extreem moeilijk om te testen. De kern van de moderne wetenschappelijke methode is falsifieerbaarheid, een theorie moet voorspellingen doen die, in principe, weerlegd kunnen worden door experimenten. Charons ideeën over de imaginaire tijd en het innerlijk bewustzijn van eonen onttrekken zich aan elke directe meetmethode.  Het blijft, in de ogen van velen, een prachtig filosofisch verhaal, echter zonder harde bewijslast. Ten tweede botst het met het principe van Ockhams scheermes, waarbij de eenvoudigste verklaring meestal de juiste is. De standaardmodellen van de kwantumfysica, hoe vreemd ook, verklaren de waargenomen wereld met grote precisie zonder aan te nemen dat elk deeltje een bewustzijn en een geheugen heeft. Voor de meeste natuurkundigen is de Eonentheorie een onnodige complicatie.

Jean Charon stierf in 1998 en zijn eonentheorie is grotendeels verdwenen in de voetnoten van de wetenschapsgeschiedenis. Toch verdwijnt de aantrekkingskracht van zijn theorie niet. Zijn bijzondere werk blijft een krachtige herinnering aan een tijd waarin wetenschappers durfden te dromen van een Theorie van Alles, die niet alleen de krachten in de natuur, maar ook onze plaats daarin zou verklaren. Charon daagde het reductionistische wereldbeeld uit, het idee dat we de werkelijkheid volledig kunnen begrijpen door haar in steeds kleinere, dode onderdelen op te splitsen. In plaats daarvan stelde hij een universum voor van oneindige complexiteit en verbondenheid, waar de kleinste steen een rijkdom aan informatie en geschiedenis in zich draagt.

Of de eonentheorie ooit in haar volle glorie wordt bewezen, is zeer twijfelachtig. Maar haar waarde ligt misschien niet in haar waarheid, maar in haar vraag. Ze dwingt ons om creatief na te denken omtrent de vraag, zijn wij slechts toevallige arrangementen van verschillende atomen, of zijn we tijdelijke manifestaties van iets veel diepers en eeuwiger? In zijn zoektocht naar een antwoord bouwde Charon een brug tussen het laboratorium en de ziel en liet hij ons achter met een van de mooiste en moeilijkste vragen van allemaal. De vraag of het universum niet alleen bewust is van zichzelf, maar ook door onszelf. Met andere woorden wij mensen leven niet simpelweg in een universum, maar zijn er ook een integrerend onderdeel van. Wij zijn de manier waarop het kosmische bewustzijn tot zelfkennis komt. Ons bewustzijn is het middel waardoor het universum zijn eigen grootsheid, complexiteit en schoonheid kan beleven en begrijpen. En zo zijn wij, in de stille taal der sterren en de stroom van ons eigen bloed, niet slechts bewoners van het universum, maar haar diepste, zelfbewuste geheugen.

Na het schrijven van dit essay zie ik wel duidelijke overeenkomsten met de spirituele filosofie. Vooral in de kernideeën bestaat er enige overlap, waarschijnlijk ontstaan door het gezamenlijk putten uit dezelfde diepe bron van mystieke en metafysische tradities. In beide visies is een eon meer dan alleen tijd, het is een bewustzijn dragend principe. Het is een structuur waarin tijd en geest samenvallen. Bij Charon is de mens een complexe structuur van biljoenen eonen. Ons individuele bewustzijn is een samenspel van deze kleinere bewuste eenheden. Wij zijn een microkosmos die de wetten van de macrokosmos weerspiegelt. Ook in esoterische werken is de mens vaak een microkosmos binnen de macrokosmos. De reis van de mens kan gezien worden als een innerlijke reis door de lagen van het eigen bewustzijn, die parallel lopen aan de kosmische ordening. De structuren buiten haar zijn een weerspiegeling van de structuren in haar. Bij Charon is de reis van een eon door verschillende lichamen (van steen tot mens), een evolutionair proces van informatie accumulatie en complexiteitsgroei. Het doel is groei in bewustzijn door ervaring. Esoterische romans gaan bijna altijd over de spirituele evolutie en de reis van de ziel. In beide werelden is de ultieme werkelijkheid niet statisch, maar dynamisch en gericht op evolutie. Het doel van het bestaan is een progressie in bewustzijn, of dat nu gebeurt via wetenschappelijke termen als informatieopslag of via spirituele termen als zielsontwikkeling. De onderlinge overeenkomst is het beste samen te vatten als een gemeenschappelijk wereldbeeld, uitgedrukt in een andere taal. Het is alsof je naar dezelfde berg kijkt, waarbij de ene waarnemer een geologisch model gebruikt om hem te beschrijven, de andere waarnemer gebruikt een spiritueel symbool. De beschrijvingen klinken totaal verschillend, maar de berg waar ze naar wijzen, is precies dezelfde.


J.J.v.Verre.


Bronvermelding:

- De oerknal, de eonentheorie en de kwantumfysica in sociologisch perspectief, Piet Ransijn, Civis Mundi igitaal, civismundi.nl.

- Ik leef al 15 miljard jaar. Zwarte gaten en eonen, Jean E. Charon, vertaling Henny Scheepmaker, ISBN(7)9060695569.

- Het Rijk van Éón, levendgeheugen.blogspot.com.