zaterdag 14 maart 2026

Het Citaat.

 

Het citaat is een symbolische en poëtische verbeelding van het thema zelfliefde als bron van universele liefde.


    “Ik houd van iedereen op deze wereld, maar het meest van mijzelf”.  

                                                     citaat. 


Dit is beslist geen pleidooi voor egocentrisme, geen oproep tot een leven achter gesloten ogen voor de noden van anderen. Het is veeleer een stille erkenning van een existentiële waarheid: ik ben het enige wezen met wie ik dag en nacht, van mijn eerste snik als baby tot mijn laatste uitademing, onafgebroken zal samenleven. Mijn vreugde is mijn eigen zonlicht, mijn verdriet mijn eigen schaduw. Beide horen bij mij. Ik ben de enige die de volledige, onbewerkte film van mijn innerlijke leven kan aanschouwen. Hoe kan ik oprechte, onvoorwaardelijke liefde voor een ander cultiveren, als ik in de stilte van mijn hart een vreemde voor mijzelf blijf? De filosofie leert ons dat het ware geschenk aan de ander niet onze overvloed is, maar onze eigen heelheid. Uit de volheid van ons bestaan, uit de stille aanvaarding van ons eigen licht en schaduw, ontspringt een liefde die niet kleeft aan behoeften en niet wordt scheef getrokken door onvervulde verlangens.  

Wanneer ik het meest van mijzelf houd, erken ik mijn waarde als onlosmakelijk deel van het grote geheel. Ik trek een grens, niet om anderen buiten te sluiten, maar om mijzelf een innerlijke plek te geven, van waaruit ik de wereld tegemoet kan treden. In een samenleving die ons voortdurend aanspoort onszelf weg te cijferen, te voldoen aan talloze externe verwachtingen, wordt zelfliefde misschien wel een stille revolutie. Je hebt er moed voor nodig om te zeggen: mijn behoeften doen ertoe, mijn dromen verdienen ruimte, en mijn vermoeidheid vraagt om rust. Het is de wijsheid van de tuinman die weet dat hij zijn rozen alleen kan voeden zolang zijn eigen bron niet opdroogt. Door het meest van mijzelf te houden, waarborg ik de duurzaamheid van mijn liefde voor anderen. Het is geen liefde die wegvloeit als water in het zand, maar een die, als een natuurlijke bron, steeds weer opwelt, omdat zij ontspringt uit een onuitputtelijke kracht van zelfrespect. 

Natuurlijk schuilt hier een gevaar, een verraderlijke afgrond langs deze weg. Want te veel zelfliefde kan omslaan in zelfverheerlijking, in een narcistische spiraal waarin de wereld slechts een spiegel is voor eigen behoeften. Het onderscheid is echter subtiel maar essentieel. De narcist houdt van zichzelf ten koste van de wereld; hij ziet de ander niet als een zelfstandig wezen, maar als een middel tot zelfbevestiging. Ware eigenliefde daarentegen, in haar zuiverste vorm, is een stille kracht die ons juist opent voor de ander. Door onze eigen waarde te voelen, zijn we beter in staat de inherente waarde van ieder mens te herkennen, zonder jaloezie of drang om beter te zijn. We kunnen de ander in zijn waarde laten, wanneer we onze eigen waarde als vanzelfsprekend ervaren.  

Uiteindelijk is mijn liefde voor de wereld en mijn liefde voor mijzelf geen tweestrijd, maar een tweestemmige dialoog waarin beide stemmen elkaar dragen. Zij zijn twee vleugels van dezelfde vogel, want gescheiden kan hij niet vliegen. Mijn liefde voor de mensheid is de uitgestrekte hand, de open blik, het omhelzen van de ander in zijn mens-zijn. Mijn liefde voor mijzelf is de rust die alles draagt, de vaste bodem in de storm, het zachte fluisteren in mijn eigen oor dat ik er mag zijn, precies zoals ik ben. Ik houd van iedereen op deze wereld, dat is mijn geschenk aan hen. Zo wordt mijn liefde voor mijzelf geen grens, maar de bron waaruit mijn liefde voor de wereld blijft stromen. In die wederkerigheid wordt duidelijk dat liefde nooit verdeeld hoeft te worden, maar slechts herkend.


J.J.v.Verre.

donderdag 12 maart 2026

Apocalyps in pastelkleuren.

 

Op deze ingekleurde ets van Frans Hogenberg (1535-1590) uit 1562 wordt de profetie van Christus over het einde der tijden verbeeld, met engelen die op de achtergrond de ware gelovigen opnemen in de hemel. Een echo van de Openbaring van Johannes van Patmos, de Apocalyps, het laatste boek van het Nieuwe Testament. Zwart/wit afbeelding overgenomen uit artikel NRC 5-3-2026.

Een oude ingekleurde ets onthult in zachte tinten hoe menselijke kwetsbaarheid en kosmische onrust elkaar raken. Tussen ramp en verlossing weerspiegelt de Apocalyps zowel de wereld van toen als de onrust van nu. In reflectie op de huidige oorlog in Iran.


In de ingekleurde ets uit 1562 ontvouwt zich een wereld die tegelijk ver weg en pijnlijk nabij lijkt. De zachte pastelkleuren die het tafereel omhullen, verzachten de contouren van het lijden, maar niet de betekenis ervan. Hongersnood, besmettelijke ziekten, valse profeten en de stille opstijging van engelen die de rechtvaardigen opnemen, het zijn beelden die ontsproten zijn aan de profetie van Christus en aan de visionaire taal van de Openbaring van Johannes. In deze oude afbeelding lijkt de tijd zelf te zijn opengebroken, alsof de wereld haar eigen schaduw had afgeworpen en haar innerlijke waarheid toont. De waarheid dat de mensheid altijd balanceert op de rand van chaos en verlossing.

De Apocalyps is geen verslag van gebeurtenissen, maar een spiegel van menselijke ervaring. Johannes schrijft als iemand die door een scheur in de werkelijkheid heeft gekeken en daar niet alleen vernietiging zag, maar ook een belofte. Zijn visioenen zijn als stormwolken waarin lichtflitsen oplichten: de ruiters die de aarde doorkruisen, het Lam dat de zegels opent, de stemmen die klinken als trompetten. Het zijn beelden die niet bedoeld zijn om te voorspellen, maar om te onthullen. Ze tonen de kwetsbaarheid van beschavingen, de broosheid van orde, en het verlangen van mensen naar een horizon die verder reikt dan hun eigen tijd.  

Wanneer we deze ets bekijken, met haar gelaagde scènes van lijden en hoop, dringt zich onvermijdelijk de gedachte op dat de wereld nog altijd haar eigen apocalyptische verhalen schrijft. De oorlog in Iran, met zijn rook boven steden en zijn echo’s van angst die door de regio golven, lijkt een hedendaagse resonantie van dezelfde existentiële onrust. Niet omdat de geschiedenis zich letterlijk herhaalt, maar omdat de menselijke ervaring van dreiging en ontwrichting telkens opnieuw dezelfde contouren tekent. De berichten over escalaties, strategische belangen en internationale spanningen zijn moderne varianten van het oude refrein dat Johannes al kende: dat naties tegen naties opstaan, dat macht wankel is, en dat mensen worden meegesleurd in krachten die groter zijn dan zijzelf.

Toch is het misleidend om de hedendaagse wereld te lezen als een letterlijk vervolg op de Apocalyps. De oude tekst is geen blauwdruk voor de geschiedenis, maar een innerlijke kaart van menselijke angst en hoop. Wat zich in Iran afspeelt, hoe complex en gelaagd ook, is geen vooraf geschreven hoofdstuk uit een heilig boek, maar een echo van dezelfde kwetsbaarheid die Johannes probeerde te vangen in zijn visioenen. De rook die opstijgt boven steden, de onzekerheid die door samenlevingen trekt, de spanning die als een koord tussen naties gespannen staat, het zijn tekenen van een wereld die haar evenwicht zoekt, niet van een wereld die onvermijdelijk ten onder gaat.

In deze ets uit 1562 zien we hoe mensen zich bewegen tussen wanhoop en verwachting, alsof zij gevangen zijn in een kosmisch ritme dat hen overstijgt. De engelen op de achtergrond, die de rechtvaardigen opnemen, herinneren eraan dat zelfs in tijden van ontwrichting een verlangen naar betekenis blijft bestaan. Misschien is dat de diepste verwantschap tussen de oude prent en de moderne wereld: dat mensen, geconfronteerd met geweld en onzekerheid, blijven zoeken naar een horizon die niet door angst maar door hoop wordt bepaald. De Apocalyps is in die zin geen verhaal van vernietiging, maar van onthulling, een onthulling van wat er gebeurt wanneer de mens wordt teruggeworpen op zijn meest fundamentele vragen.

Zo wordt de ets een spiegel waarin de tijdlagen over elkaar schuiven. Het verleden fluistert tegen het heden, en het heden werpt zijn schaduw terug op het verleden. De oorlog in Iran verschijnt dan niet als een apocalyptisch teken, maar als een herinnering aan de broosheid van menselijke orde, aan de kwetsbaarheid van vrede, aan de noodzaak om telkens opnieuw te zoeken naar een manier van samenleven, die niet door macht, maar door menselijkheid wordt gedragen. In dat licht krijgt de oude prent een onverwachte actualiteit: zij toont niet hoe de wereld zal eindigen, maar hoe zij telkens opnieuw dreigt te kantelen, en hoe mensen, ondanks alles, blijven verlangen naar een wereld die niet door angst maar door compassie wordt gevormd.

Misschien is dat uiteindelijk de stille boodschap die door de pastelkleuren heen klinkt: dat zelfs in de donkerste visioenen een glimp van licht blijft bestaan. Dat de mens, hoe vaak hij ook struikelt, blijft zoeken naar een weg omhoog. En dat de Apocalyps, hoe dreigend ook, altijd de belofte van vernieuwing in zich draagt, een belofte die niet in de hemel begint, maar in het hart van ieder mens die weigert de wereld aan haar eigen duisternis over te laten.



J.J.v.Verre.






donderdag 26 februari 2026

Homerus.

 

Het schilderij "Homerus " in 1663 geschilderd door Rembrandt van Rijn, hangt in het Mauritshuis in Den Haag. Met brede verfstreken schilderde Rembrandt het hoofd van de Griekse dichter. De goudgele mantel van Homerus vangt het licht en glanst zacht; op dat deel bracht Rembrandt de verf opvallend trefzeker aan met zijn paletmes. Het schilderij maakte hij in opdracht van de Siciliaanse edelman Antonio Ruffo. Oorspronkelijk stond ook de schrijver op het doek aan wie de blinde Homerus zijn verzen dicteerde. Dat gedeelte ging echter bij een brand verloren. Rechtsonder zijn nog twee vingers te zien die een pen vasthouden en een vel papier. Homerus (ca 800 v. Chr.-750 v. Chr.).


Homerus verschijnt in onze verbeelding als een figuur die tegelijk dichtbij en ongrijpbaar is. Zijn naam klinkt als een fundament onder de Europese cultuur, maar achter die naam schuilt een menselijke entiteit die we nooit werkelijk hebben gekend. Juist dat maakt hem zo intrigerend: hij is aanwezig in elke regel die aan hem wordt toegeschreven, maar afwezig als persoon. Een stem zonder lichaam, een bewustzijn dat zich alleen via verhalen laat kennen. In die verhalen ontvouwt zich een wereld die tegelijk archaïsch en herkenbaar is, een wereld waarin mensen strijden om roem, om liefde, om erkenning, en waarin de goden slechts de grillige achtergrond vormen van menselijke verlangens en tekortkomingen.

In de figuur van Homerus komt een paradox samen. Hij is de schepper van helden die groter dan het leven lijken, maar zelf blijft hij klein, bijna onzichtbaar. Zijn personages treden naar voren met een kracht die de dichter overstijgt, alsof hij slechts het kanaal was waardoor een oudere, collectieve stem sprak. Toch is er in zijn verzen een opmerkelijke gevoeligheid te vinden, een aandacht voor de kwetsbaarheid van mensen die niet past bij het beeld van een enkel anonieme lyrische dichter. Hij beschrijft de woede van Achilles, maar ook de wanhoop van Priamus; hij toont de slachting op het slagveld, maar laat evenveel ruimte voor de stilte waarin een moeder haar zoon verliest. In die balans tussen grootsheid en menselijkheid schuilt misschien het geheim van zijn blijvende invloed.

Homerus is niet alleen een verteller van verhalen, maar ook een dichter van herinnering. Zijn werk is een poging om het vergankelijke vast te houden, om de daden van stervelingen te bewaren in een capsule die de tijd trotseert. De helden die hij bezingt, weten dat hun leven kort is, maar hopen dat hun naam blijft klinken zolang mensen luisteren. In die zin is Homerus zelf een van zijn eigen personages: iemand die de sterfelijkheid probeert te overstijgen door woorden te geven aan wat anders zou verdwijnen. Dat hij blind zou zijn geweest, zoals de overlevering vertelt, maakt dit beeld alleen maar sterker. Het suggereert dat zijn blik niet gericht was op de zichtbare wereld, maar op een innerlijk landschap waarin herinnering, mythe en ervaring samenvloeien.

Het heldendom dat Homerus beschrijft, is geen eendimensionale glans van onverschrokken moed. Het is een complex weefsel van eerzucht, angst, trots en kwetsbaarheid. Achilles, de grootste van de Griekse helden, is niet alleen een krijger die zijn vijanden overweldigt; hij is ook een man die zich terugtrekt in zijn tent omdat zijn eer is gekrenkt, iemand die zijn eigen sterfelijkheid onder ogen moet zien en daar wanhopig tegen vecht. Hector, zijn Trojaanse tegenhanger, is evenzeer een held, maar zijn heldendom is doordrenkt van plichtsbesef en de angst om zijn familie in de steek te laten. In deze figuren toont Homerus dat heldendom niet bestaat uit onkwetsbaarheid, maar juist uit het vermogen om te handelen ondanks de wetenschap dat men kan falen, verliezen of sterven.

De spanning tussen grootsheid en kwetsbaarheid vormt de kern van het mensbeeld dat Homerus schetst. Zijn helden zijn niet verheven boven de menselijke conditie; ze zijn er juist een uitvergroting van. Ze dragen de verlangens en angsten die ieder mens kent, maar dan op een schaal die de grenzen van het gewone leven overstijgt. Daardoor worden hun daden symbolisch: ze laten zien hoe ver een mens kan gaan in zijn streven naar betekenis, maar ook hoe diep hij kan vallen wanneer zijn ambities hem verblinden. In die zin is Homerus geen verheerlijker van geweld, maar een verslaggever van de menselijke ziel, die in haar meest extreme vormen zichtbaar wordt op het slagveld.

De menselijkheid in zijn werk komt niet alleen naar voren in de helden, maar ook in de momenten van stilte die hij tussen de grote gebeurtenissen plaatst. Een moeder die haar zoon smeekt niet te gaan vechten, een oude koning die de moordenaar van zijn zoon om diens lichaam smeekt, een vrouw die haar man voor het laatst ziet vertrekken, het zijn allemaal scènes die de epische schaal doorbreken en de lezer terugbrengt naar de intieme werkelijkheid van verlies en liefde. Deze momenten maken duidelijk dat achter elke held een netwerk van relaties schuilgaat, en dat de gevolgen van heldendom vaak door anderen worden gedragen. Het is specifiek in deze scènes dat Homerus' empathie het sterkst voelbaar wordt, want hij ziet de mens niet alleen als strijder, maar als een menselijk wezen dat liefheeft, rouwt en hoop koestert. Deze relatie tussen heldendom en menselijkheid is bij Homerus nooit eenvoudig. Heldendom vraagt om daden die het gewone overstijgen, maar diezelfde daden brengen vaak lijden met zich mee, zowel voor de held zelf, als voor zijn omgeving. De zoektocht naar roem is tegelijk een zoektocht naar betekenis, maar ook een confrontatie met de grenzen van het menselijk bestaan. Homerus laat zien dat ware grootsheid niet ligt in het ontkennen van die grenzen, maar juist in het erkennen ervan. Hun sterfelijkheid vormt de kern van die grootsheid: ze weten hoe kort hun leven is, maar handelen toch met onvervalste vastberadenheid. Hun menselijkheid is zeker geen zwakte, maar juist de bron van hun kracht.

Wanneer we Homerus nu lezen, herkennen we in zijn verhalen de contouren van onze eigen worstelingen. We zien hoe mensen hun leven proberen vorm te geven in een wereld die groter is dan zijzelf, hoe ze zoeken naar een balans tussen ambitie en verantwoordelijkheid, tussen verlangen en plicht. Zijn werk zal ook blijven resoneren omdat het niet alleen gaat over oorlog en helden, maar over de cruciale vraag wat het betekent om mens te zijn in een wereld vol onzekerheid. Homerus biedt geen antwoorden, maar hij toont wel de diepte van die vragen die ons blijven bezighouden.

Zo zal hij altijd aanwezig blijven, niet alleen als een historische figuur die we kunnen reconstrueren, maar ook als een steeds terugkerende stem in onze cultuur. Zijn verhalen blijven voortleven, omdat ze ons uitnodigen om na te denken over onze eigen plaats in de wereld, en over de manier waarop we betekenis geven aan ons bestaan. In die zin is Homerus zelf misschien wel de grootste held van zijn eigen verhalen, namelijk iemand die, zonder gezicht en zonder biografie, het mensdom al talloze generatie heeft weten te raken. Zo blijft deze dichter door de eeuwen heen zijn stem laten horen, soms als een stille herinnering, dat de mens zichzelf pas werkelijk begrijpt, wanneer hij luistert naar de verhalen die hem hebben voortgebracht. En zo blijft zijn stem, hoe oud ook, een didactische echo die ons eraan herinnert dat elke generatie opnieuw moet leren luisteren.


J.J.v.Verre.

zaterdag 14 februari 2026

Waar de tijd zijn adem inhoudt.

 

In de schaduw van twee onvervulde momenten, waar de tijd zijn adem inhoudt, klinkt een melodie van wat had kunnen zijn. De stille symfonie tussen twee schoten, als snaren van een ongeboren toekomst.

Als er een tijdmachine zou bestaan waarmee je de geschiedenis zou kunnen veranderen. Wat zou dan de impact kunnen zijn op onze huidige situatie? Stel dat we Hitler konden vermoorden in 1942 en de moord op Kennedy in 1963 hadden kunnen voorkomen. Wat zou dat kunnen betekenen?


Er zijn momenten in de tijd die trillen als snaren, momenten waarop de wereld even lijkt te aarzelen, alsof de geschiedenis zelf zijn adem inhoudt. Stel je voor dat we langs die snaren konden glijden, dat we met een zachte aanraking de trilling van de tijd zelf konden voelen, alsof elke beweging een vergeten mogelijkheid wakker kust en elke glimp van licht ons herinnert aan de paden die nooit zijn gekozen. Dat we door een fragiele aanraking van die snaar één toon konden dempen of juist laten klinken. Twee van die snaren liggen ver uit elkaar, en toch raken zij dezelfde melodie: de draad van macht, van hoop, van angst, van wat had kunnen zijn.

In het jaar 1942 staat Europa in brand. De lucht ruikt naar rook en ijzer, en de aarde draagt de voetstappen van miljoenen die niet weten wat er nog gaat komen. In een verborgen kamer, achter muren met oren, wordt gefluisterd over een daad van verraad en wanhoop en wordt een plan gesmeed. Eén enkele daad, één enkele kogel, en een man die zijn schaduw over een continent werpt, zou verdwijnen. Stel je voor dat het was gelukt. Dat de stilte die volgde niet de stilte van angst was, maar een pauze waarin de wereld even niet wist welke richting ze moest kiezen. Machtige mannen zouden elkaar hebben aangekeken, zoekend naar een nieuwe sterke leider, een nieuwe koers, doch misschien wel een nieuwe waanzin. Misschien was het Derde Rijk als een kaartenhuis ingestort, misschien had snel een ander de troon beklommen met dezelfde honger naar vernietiging. Maar misschien, heel misschien, had de oorlog zijn tanden verloren, had de wereld minder littekens gedragen, had Europa een andere huid gekregen, minder ruw, minder verscheurd. En in die zachtere huid had de tijd zelf misschien een andere richting gekozen, alsof de geschiedenis even stotterde en ons een milder vooruitzicht had gegund.

En dan, ruim twintig jaar later, op een zonnige herfstdag van 1963 in Dallas. Een open auto, een glimlach die door de menigte glijdt als een belofte. De wereld kijkt, niet wetend dat ze op het punt staat een schok te voelen die door decennia zal echoën. Maar stel je voor dat de kogels nooit waren afgevuurd, dat de wind niets anders droeg dan gejuich. Een jonge president die zijn plannen had kunnen afmaken, die mogelijk een oorlog had kunnen temperen voordat die uitgroeide tot een wond in de Amerikaanse ziel. Een man die de sterren in de nacht had aangewezen en gezegd: daar gaan we heen, samen, naar de horizon die alleen wachtte tot wij haar durfden te benaderen. Misschien was de verdeeldheid dan minder diep geworden, misschien had de natie een andere toon gevonden, zachter en minder scherp. Maar de wereldorde, die grote kolkende rivier die al sinds 1945 zijn bedding had gevonden, zou niet plotseling van richting zijn veranderd. Die stroom zou blijven gaan, mogelijk iets rustiger, maar niet anders van aard.

Twee momenten, twee mogelijke verschuivingen in de tijd. De ene een aardbeving die de fundamenten van de wereld had kunnen breken, de andere een golf die vooral de kusten van één land had beroerd. En toch dragen beide een melancholie in zich, een zweem van wat nooit is gebeurd, maar wat zich toch aan de rand van de werkelijkheid ophield. Want geschiedenis is geen rechte lijn; het is het tapijt van keuzes, toevalligheden en stiltes. En soms, als we ernaar kijken, zien we de draden die hadden kunnen glanzen, maar die dof zijn gebleven.

Misschien is dat wel de ware magie van deze gedachte: niet dat we de tijd zouden kunnen veranderen, maar begrijpen hoe kwetsbaar ze is. Hoe één ademteug, één beslissing, één moment van toeval de wereld kan herscheppen. En hoe wij, in onze eigen kleine tijd, nog steeds over die snaren lopen, luisterend naar de melodie die we samen maken.

Tussen de duisternis van macht en het licht van belofte zweeft de ziel van de mensheid, en in Hitler en Kennedy weerspiegelt zich de eeuwige strijd tussen vernietiging en hoop. De één belichaamde het diepste dal van menselijke waanzin, waar ideologie de adem van miljoenen verstikte. De ander stond als een jonge fakkel aan het begin van een pad dat nooit volledig werd gelopen, een belofte die op die zonnige dag verdampte. En toch zijn ze verbonden, niet door hun daden, maar door hun invloed op het kompas van de tijd. Want waar de een de wereld in stukken sneed, probeerde de ander haar opnieuw te hechten. Hun namen zijn geen tegenpolen, maar weerklanken in dezelfde grot van schaduwen die de geschiedenis bevolken, en waarin wij nog steeds luisteren naar wat had kunnen zijn. En in die fluisterende woorden herkennen we niet alleen hun sporen, maar ook onze eigen neiging om telkens opnieuw te kiezen tussen breken en helen, tussen duisternis en het kwetsbare licht dat ons vooruit blijft roepen. En zo blijft hun schaduw een stille herinnering dat elke keuze de wereld opnieuw kan vormen. De ware les van elke verhandeling omtrent een imaginaire tijdmachine is: dat niet het tijdreizen zelf ons verandert, maar het besef dat elke seconde een kruispunt is waarop de wereld opnieuw kan beginnen.


J.J.v.Verre.


zaterdag 31 januari 2026

Begeerte.

 

              Begeerte is verlangen dat alleen maar meer wil.


Begeerte is verlangen dat steeds verder wil. Een zin die zich gedraagt als een ademhaling die niet kan eindigen, een golf die door een onzichtbare maan telkens opnieuw naar de kust wordt geduwd. In die beweging schuilt iets dat zowel menselijk als kosmisch is, alsof verlangen niet louter een innerlijke impuls is, maar een oeroude kracht die door ons heen reist, op zoek naar vorm, naar stem, naar een lichaam waarin zij even kan rusten voordat zij weer verder trekt.
Begeerte is nooit tevreden met wat zij vindt. Zij raakt haar object slechts vluchtig aan, zoals een vogel die even op een tak neerstrijkt om onmiddellijk weer op te vliegen. Het is een honger die niet voortkomt uit tekort, maar uit overvloed. Een overvloed aan mogelijkheden, aan beelden, aan dromen die zich aandienen als spiegels waarin wij onszelf telkens opnieuw herkennen en verliezen.
In begeerte ligt een vreemd soort helderheid besloten. Zij toont ons wat wij nog niet zijn, of wat wij ooit waren en opnieuw willen worden. Zij fluistert dat er altijd een verder is, een dieper, een nog niet betreden ruimte waarin onze ziel zich kan ontvouwen. En toch is zij geen tiran, maar eerder een gids die ons uitnodigt te bewegen, ons waarschuwt niet te verstarren in het voltooide. Want het voltooide is stil, en begeerte is beweging. Zij is de trilling in de lucht vlak vóór de regen valt, het zacht knetterende branden van een kaars die weigert te doven, het ruisen van een veld in de avondwind dat ons herinnert aan het feit dat niets ooit werkelijk stilstaat.
Misschien is begeerte daarom zo intiem verweven met het leven zelf. Wie verlangt, leeft dubbel: in het hier en in het daar, in het tastbare en in het mogelijke, waar verbeelding en lichamelijkheid elkaar ontmoeten. Begeerte opent een kier in de werkelijkheid waardoor het licht van een andere wereld naar binnen valt. Soms is dat licht zacht en troostend, soms scherp en onrustig, maar altijd wijst het naar een horizon die ons uitnodigt verder te gaan. En in dat gaan, in dat steeds opnieuw willen, ontstaat een ritme dat ons draagt, zelfs wanneer wij denken te verdwalen.
Begeerte is verlangen dat steeds meer wil, niet uit gulzigheid, maar omdat het weet dat het leven zelf een voortdurende stroom is. Zij herinnert ons eraan dat wij gemaakt zijn om te bewegen, te groeien, te reiken naar wat nog niet is aangeraakt. En misschien schuilt daarin haar bijzondere schoonheid, dat zij ons telkens opnieuw wakker kust, ons optilt uit de sluimer van het genoeg, en ons laat voelen dat wij nog altijd onderweg zijn, open en ontvankelijk voor het wonder van wat zou kunnen zijn. En zo blijft begeerte een stille beweging in ons voortbestaan, een onzichtbare hand die ons steeds weer naar de horizon terugdraait. Alsof wij zelf slechts even het middelpunt zijn van een verlangen dat verder kijkt dan ons bestaan. En in dat draaien, dat telkens opnieuw reiken, wordt ons bestaan een open beweging: een stille kracht van verlangen die ons draagt voorbij de grens van het bekende.

 

J.J.v.Verre.